De eerste promotie aan de Rijksuniversiteit Limburg
ERFGOED
7 mei 1976
De eerste promotie aan de Rijksuniversiteit Limburg

Annemieke Klijn

Dank zij Peter Antony Cuypers (Graft, 1948) heeft de Kunst- en Erfgoed Commissie de eerste bul van de Rijksuniversiteit Limburg in ontvangst genomen. Cuypers promoveerde op 7 mei 1976, een zeer warme voorjaarsdag, aan de nog geen half jaar oude universiteit op het proefschrift Dynamic ellipsometry, biochemical and biomedical applications, een wetenschappelijk onderzoek naar het proces van bloedstolling (zie: https://cris.maastrichtuniversity.nl/portal/en/publications/dynamic-ellipsometry-biochemical-and-biomedical-applications(96b20654-ce1d-4e3c-8a79-974a2848dbcb).html). Op de titelpagina van de eerste versie was handmatig, op de valreep, datum en tijd ingevuld, omdat het niet zeker was wanneer precies de universiteit het ius promovendi zou krijgen. Cuypers ontving de graad van doctor op gezag van rector magnificus, Harmen Tiddens, kinderarts, onderwijsvernieuwer en medeoprichter van de Rijksuniversiteit Limburg. Promotor was de biochemicus Coen Hemker, die om de zitting extra cachet te geven de dichter en biochemicus Leo Vroman uit New York had laten overkomen.

Voor het allereerst werden de bordeauxrode toga’s ingewijd, terwijl Cuypers een rokkostuum droeg en zijn twee vrouwelijke paranimfen –  in de (toen nog) ‘medische mannenwereld’-  in het lang waren gekleed. Er waren verhitte discussies geweest over de toga. Voorstanders van ‘vernieuwing’, zoals onderwijskundige Wynand Wijnen, vonden een toga eigenlijk ouderwetse flauwekul. Maar de jonge universiteit zocht uiteindelijk toch aansluiting bij de traditionele academische rituelen om als nieuwkomer serieus genomen te worden. Zo was de bul in het Latijn geschreven. Cuypers’ paranimfen waren twee eerstejaars geneeskundestudentes, Annemieke Mellink (donker haar) en Marie-Louise Nuyens (blond haar), later respectievelijk radioloog en longarts. Het promotieonderzoek was voor sommigen ietwat hoog gegrepen: zo stelde één van de opponenten – herinnert Cuypers zich – een vraag over ‘de epilepsiemeter’. Hoe dit ook zij, de hele universiteit, met haar ongeveer 100 studenten en 80 stafleden, kreeg vrij om de promotie bij te wonen. Cuypers kreeg racefiets cadeau.

Uiteraard was de promotie niet het resultaat van in Maastricht verricht onderzoek. Cuypers had samen met hoogleraar Hemker uit Leiden de overstap naar het Zuiden gewaagd; vanwege een Leidse bezuinigingsoperatie was de hele onderzoeksgroep ‘inclusief alle apparatuur’, aldus Cuypers, naar Maastricht gegaan. Als ode aan Maastricht had Cuypers de samenvatting van zijn dissertatie in het Maastrichts laten vertalen – buiten de stad dacht een enkeling dat het om Zuid-Afrikaans ging. Na zijn promotie werd Cuypers universitair docent, later hoofddocent. Het probleemgestuurd onderwijs waarbij ‘ziektebeelden de kapstokken waren waar de vakken aan op werden gehouden’ sprak hem aan. Tiddens, idealistisch pleitbezorger van ‘praktijkconfrontatie’ en ‘praktijkoriëntatie’ in het onderwijs, was, stelt Cuypers, een inspirerende en ‘geweldige vent’. Er hing toen aan de faculteit ‘een zestiger jaren sfeer’. Studenten en docenten gingen informeel met elkaar om. Die sfeer is ook te zien op de foto tijdens de promotie, waarbij een van de aanwezigen met een ontbloot bovenlijf staat. ‘Studenten kwamen soms met fles bier in de onderwijsgroep’ en in het Trefcentrum was altijd een borrel na elk blok, waarbij de blokcoördinator op een vat bier trakteerde. Na vijftien jaar hield Cuypers het voor gezien aan de universiteit. Hij aanvaardde een functie bij DSM waar hij onderzoek deed naar materialen voor medische doeleinden die in contact komen met bloed. Na zijn pensioen vertrok hij als vrijwilliger in het kader van ‘Openmind Projects’ naar noordoost Thailand om vanuit een Boeddhistisch klooster tegen kost en inwoning ‘conversational English’ te geven.

 

 

© 2018 Kunst- en erfgoedcommissie, Universiteit Maastricht