Drop, Riet
ERFGOED
1935-2002
Drop, Riet

Riet Drop

Door Annemieke Klijn, met dank aan Jan Joosten, Hans Philipsen en Ronald Knibbe

Maria Johanna Drop (1935-2002) was de eerste vrouwelijke hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Limburg. Zij werd op 6 juni 1980 bij koninklijk besluit tot hoogleraar medische sociologie benoemd aan de Faculteit der Geneeskunde en een jaar later ook aan de Algemene Faculteit. Zelf vond zij haar vrouw zijn minder het opmerken waard dan haar prestaties, hoewel zij zich kritisch kon uitlaten over de mannelijke mores aan de universiteit. Haar benoeming viel samen met een wisseling van de wacht: hoogleraar medische sociologie Hans Philipsen (1935) zat vanaf begin 1980 in het college van bestuur en richtte zijn aandacht (tijdelijk) meer op bestuurlijke aangelegenheden. Drop werkte al sinds 1975 als universitair hoofddocent aan de medische faculteit. In 1979 was zij bij Philipsen gepromoveerd op Arbeidsverdeling, normatieve integratie en typen afwijkend gedrag, een onderzoek dat zij op het Nederlands Instituut voor Preventieve Geneeskunde had uitgevoerd.

Drop groeide op in een gereformeerd middenstandsmilieu in de Transvaalwijk in Den Haag, waar haar vader als bakker in een broodfabriek werkte en tot chef wist op te klimmen. Tegen het einde van de oorlog werd haar vader vanwege verzetswerk opgepakt en in het concentratiekamp Amersfoort gefusilleerd als represaille voor de aanslag op de Duitse SS-officier Hanns Rauter. In 1954 behaalde de leergierige Drop haar einddiploma hbs-a, waarna zij met een toelage van de Stichting 1940-1945 sociologie aan de Rijksuniversiteit Leiden ging studeren. Dat haar aanvraag in eerste instantie was afgewezen, versterkte alleen maar haar ambitie om te laten zien wat ze in haar mars had, zo vertelde zij in 2000 aan Jacques Herraets, journalist van Continuüm, het kwartaalblad van de Universiteit Maastricht. In 1964 studeerde zij cum laude af. Vervolgens werkte zij aan het Sociologisch Instituut van de Rijksuniversiteit Leiden en vanaf 1967 als wetenschappelijk medewerker van het Nederlands Instituut voor Preventieve Geneeskunde/TNO te Leiden. Hier kwam zij in contact met Philipsen, die enkele medewerkers uit Leiden overhaalde om naar het Zuiden af te dalen: niet alleen Drop, maar ook Jos Diederiks en Jan Joosten.

Geheel in de lijn van de basisfilosofie startte de capaciteitsgroep medische sociologie met onderzoek naar de maatschappelijke invloeden op verschijnselen van ziekte en gezondheid. Drop werd al snel lid van de Onderzoekscommissie. Bij het verrichten van onderzoek, vaak in teamverband, had zij een spilfunctie bij medische sociologie. Zij wist haar medewerkers, aldus Ronald Knibbe die in 1985 bij haar promoveerde en later hoogleraar sociale epidemiologie van alcohol en drugsgebruik werd, ‘vriendelijk, maar streng’ te stimuleren. Drop stelde echter óók hoge eisen aan zich zelf. Wetenschap was dan ook topsport, stelde zij. Zij leidde het project ‘leefwijze en gedragsverandering’, waarbij haar interesse vooral uitging naar de volgende onderwerpen: psychosociale aspecten van eetgedrag en drankgebruik, afwijkend gedrag, anorexia nervosa, regionale verschillen in mortaliteit en meer algemeen structurele en culturele verklaringen voor sociaal-economische verschillen in gezondheid. Over de maakbaarheid van de samenleving bleef zij overigens opmerkelijk relativerend. De mens was geneigd tot alle kwaad en niet in staat tot enig goed – zo meende zij verwijzend naar gereformeerde achtergrond. Zij geloofde niet in de bijdrage van de sociologie aan een betere wereld. Het werk van Amnesty International was wat dit betreft relevanter, aldus Drop.

Deze relativerende houding weerhield haar bepaald niet van hard werken. In het onderwijs was zij onder andere actief in de curriculumplanningsgroep en de onderwijscommissie. In 1989 gaf zij samen met Hetty Snellen (1933) vorm aan de tweede curriculumherziening van de medische faculteit. Ook was zij te vinden voor bestuurswerk binnen de universiteit, zoals de faculteits- en de universiteitsraad, én er buiten. Zo nam zij deel aan de Adviescommissie Gezondheidsraad Epidemiologische Wetgeving, het bestuur Stichting Interuniversitair Sociaal Wetenschappelijk Onderzoek en het bestuur van het Medisch en Maatschappelijk Informatie Centrum. Drop werd volgens Philipsen overal gewaardeerd als toonbeeld van ‘integriteit, beter nog rechtschapenheid’. In 2000 liet Drop weten nog graag tot 2005 honorair hoogleraar medische sociologie te blijven. Zij voelde zich toen 30, maar, zo gaf zij toe, haar lijf was 65, met minder energie. Drop overleed op 3 november 2002.

PERSONEN
Albeda, Wil
1925-2014
Drop, Riet
1935-2002
Kuppen, Ine
1945
Tans, Sjeng
1912-1993
Tiddens, Harmen
1923 - 2002
Wijnen, Wynand
1934-2012
© 2017 Kunst- en erfgoedcommissie, Universiteit Maastricht