Tiddens, Harmen
ERFGOED
1923 - 2002
Tiddens, Harmen

Door Annemieke Klijn

De rol van Harmen Tiddens bij de oprichting van de Faculteit der Geneeskunde van de Rijksuniversiteit Limburg was cruciaal. Vanaf 1970 raakte hij betrokken bij de voorbereiding van de ‘achtste’. Geïnspireerd door onderwijsidealen uit de Verenigde Staten en Canada droeg Tiddens diverse bouwstenen aan voor de basisfilosofie van 1972. De nieuwe faculteit kon, aldus Tiddens, alleen haar bestaan legitimeren met het argument dat zij ‘andere artsen’ ging opleiden. Hij bepleitte een probleemgericht curriculum met een duidelijk accent op huisartsgeneeskunde en stelde dat de faculteit al ‘onderzoekend en experimenterend’ aansluiting moest zoeken bij de gezondheidszorg in regio. Tiddens werd voorzitter van de ‘kerngroep’, de eerste lichting medische hoogleraren, en werd de eerste rector magnificus van de Rijksuniversiteit Limburg op 9 januari 1976, de dies natalis van de Universiteit Maastricht. Tiddens’ belangstelling ging aanvankelijk uit naar de kindergeneeskunde, later meer en meer naar de hervorming van het medisch onderwijs. Daarnaast behaalde Tiddens zijn vliegbrevet. Graag vloog hij hoog in de wolken in een klein vliegtuigje om te ontspannen. In 1957 promoveerde hij in Utrecht op Het renale syndroom van De Toni met dwerggroei en in 1963 werd hij lector aan de Rijksuniversiteit Utrecht met als leeropdracht kindergeneeskunde. In deze periode was hij ook adjunct-directeur van het Wilhelmina Kinderziekenhuis in Utrecht, waar hij zich op de behandeling van nieraandoeningen bij kinderen richtte. Zijn belangstelling voor onderwijsvernieuwing werd gewekt tijdens een studiereis naar de Verenigde Staten en Canada, waar hij met nieuwe vormen van medisch onderwijs in aanraking kwam. In Utrecht richtte hij in 1963 een afdeling Onderwijsontwikkeling aan de medische faculteit op, waar medici én gedragswetenschappers zich met het nog jonge onderzoeksgebied onderwijskunde bezighielden. Vooral de kloof tussen specialistische geneeskunde en ‘normale’ gezondheidszorg werd als een probleem ervaren. Inspirerend vond Tiddens hoe aan Michigan State University, in de Verenigde Staten, een medische opleiding werd opgezet die uitsluitend gebruikmaakte van de gezondheidszorg in de omgeving, zonder eigen faciliteiten. En inspirerend vond hij ook het probleemgerichte onderwijs aan McMaster University in Canada, waar studenten geen afzonderlijke vakken kregen voorgeschoteld, maar geconfronteerd werden met praktische problemen die zij zelf moesten oplossen. Tiddens’ idealistische pleidooi voor onderwijsvernieuwing in deze richting liep echter in Utrecht vast vanwege een ‘keurslijf van tradities’. De ‘voorbereidingscommissie achtste medische faculteit’ raakte in Tiddens geïnteresseerd, toen de oprichting van een nieuwe medische opleiding in Maastricht begin jaren 70 aan een zijden draadje hing. Was er nog behoefte was aan een ruimere opleidingscapaciteit voor artsen, terwijl de economische crisis tot bezuinigingen noopte? De achtste was volgens Tiddens alleen te legitimeren als Maastricht ‘een ander soort artsen’ zou opleiden. Hij kwam op voorwaarde dat Maastricht het onderwijskundige experiment aanging. Nauwe samenwerking tussen faculteit en regionale gezondheidszorg maakte volgens hem de bouw van een ‘klassiek’ academisch ziekenhuis overbodig – men kende een dergelijk ziekenhuis volgens hem ten onrechte ‘een bijna mystieke waarde’ toe. Tiddens drukte zijn stempel op de basisfilosofie die in 1972 voor het eerst in Medisch Contact werd gepubliceerd. De faculteit gaf aan dat zij ‘onderzoekend en experimenterend’ bij wilde dragen aan een zo goed mogelijke structuur en werkwijze van de gezondheidszorg in de zuidelijke regio. Verder nam de faculteit zich voor om speciale aandacht te besteden aan de eerstelijns oriëntatie. Qua didactiek zou het accent liggen op probleemoriëntatie, zelfwerkzaamheid, attitude-ontwikkeling en voortgangsevaluatie. In de toekomst kon Maastricht ‘wellicht een soort welzijnsuniversiteit worden’, gegeven het feit dat gezondheidszorg meer behelsde dan een geneeskundige aanpak – zo liet Tiddens in de Elsevier van 1 september 1973 weten. Tiddens werd voorzitter van de kerngroep, de eerste groep hoogleraren in spe. Hij was groot voorstander van een snelle start van de faculteit in 1974 – wel met toestemming uit Den Haag maar zonder wettelijke basis. Voordeel van zo’n experiment met een groepje van 50 studenten was volgens hem dat eventuele problemen die zich in de praktijk voordeden snel ondervangen konden worden. Bij de officiële opening van de Rijksuniversiteit Limburg op 9 januari 1976 werd Tiddens de eerste rector magnificus. Eind 1978 kondigde hij ruim voor het einde van zijn ambtsperiode plotseling zijn vertrek aan om hoogleraar ‘in de organisatie van de gezondheidszorg’ in Tilburg te worden – zonder zijn beweegredenen om ‘de achtste’ te verlaten uitgebreid toe te lichten. Tiddens ging potentiële confrontaties liever uit de weg en trad niet makkelijk met een uitgesproken mening naar buiten. Aan elke kwestie zaten dan ook volgens de relativerende Tiddens meerdere kanten. Later liet hij in Observant van 30 januari 1981 weten, dat hij het toen betreurde dat de voorstanders van een nieuw academisch (top)ziekenhuis hun zin kregen. De oorspronkelijke opzet van de faculteit die gespreid in de regio zou werken, was niet of nauwelijks haalbaar gebleken. Er waren dan ook, zo constateerde Tiddens, geen hoogleraren te vinden die ‘een betrekkelijk nederige rol’ wilden spelen. Na zijn hoogleraarschap in Tilburg, werd Tiddens van 1983 tot 1988 directeur van het Nationaal Lucht- en Ruimtevaart Geneeskundig Centrum in Soesterberg.

PERSONEN
Albeda, Wil
1925-2014
Drop, Riet
1935-2002
Kuppen, Ine
1945
Tans, Sjeng
1912-1993
Tiddens, Harmen
1923 - 2002
Wijnen, Wynand
1934-2012
© 2017 Kunst- en erfgoedcommissie, Universiteit Maastricht