Pie Bartholomeus en het Skillslab
ERFGOED
Pie Bartholomeus
Pie Bartholomeus en het Skillslab

Annemieke Klijn

Er is een in 1978 gemaakte film over het Skillslab opgedoken die sinds kort is gedigitaliseerd en hiermee openbaar is gemaakt. Maastricht University staat aan de wieg van het Skillslab met zijn onderwijsvernieuwing die in de medische- en paramedische opleidingen nationaal en internationaal navolging kreeg. Het is dan ook hoogtijd om, ruim veertig jaar later, samen met Pie Bartholomeus, die deze film heeft laten maken, op het ontstaan van het Skillslab terug te blikken. Het fotomateriaal is niet alleen uit zijn persoonlijk archief afkomstig, maar ook uit dat van Maastricht University. Om een beeld te krijgen van de bredere historische context volgt hier allereerst een korte (auto)biografische schets. 

De in Maastricht geboren Pie Bartholomeus (1946) ging direct na zijn middelbareschooltijd op het katholieke Veldeke-college in 1964 geneeskunde in Amsterdam studeren. Tien jaar later keerde hij als huisarts en vader van twee kinderen terug naar Maastricht, waar hij nauw betrokken raakte bij het opzetten van het Skillslab, samen met Leon Lodewick, Henk Schmidt en vele anderen. Het Skillslab, waar studenten hun medisch-technische en communicatieve vaardigheden leren, was een uniek Maastrichts experiment dat met veel vallen en opstaan tot stand kwam.

Pie Bartholomeus groeide op als (naoorlogs-) nakomertje in een gezin met zeven kinderen. Zijn vader was, evenals zijn moeder en alle drie zijn zussen, onderwijzer en later hoofd van een lagere school en van de Handelsavondschool, waar hij de in opspraak geraakte katholieke socialist Sjeng Tans handhaafde als leraar Nederlands. Conservatief katholiek Maastricht reageerde toentertijd ontzet, want Tans had eind 1954 moeten opstappen bij het Veldeke-college wegens zijn activiteiten voor de Partij van de Arbeid. Later speelde Tans een uiterst cruciale rol de oprichting van Maastricht University. 

De keuze voor geneeskunde aan ‘de rooie’ Universiteit van Amsterdam moest Bartholomeus bevechten: "De toenmalige rector van het Veldeke college kwam twee keer op bezoek bij mijn moeder, die inmiddels weduwe was geworden, om haar te overtuigen dat ik natuur- of wiskunde moest gaan studeren, en wel in het katholieke Nijmegen. Onvoorstelbaar, zo'n pleidooi nu. Maar ik ben blij dat ze me de vrije hand heeft gegeven. Amsterdam in de jaren zestig was geweldig! Al schrok ze erg toen ze me op TV zag tijdens de Maagdenhuisbezetting." Bijna alle colleges waren, aldus Bartholomeus, saai en de meeste practica tijdsverspilling. Alhoewel hij de coschappen een verademing vond (“eindelijk in contact met echte patiënten, met de echte praktijk”), ergerde hij zich aan de hiërarchische structuur in het ziekenhuis. En ook het doen van allerlei onderzoek of ingrepen op echte patiënten, meestal zonder enige voorbereiding of begeleiding anders dan door een oudere coassistent, vond hij vreselijk. 

Na zijn afstuderen koos hij voor huisartsgeneeskunde. Begin jaren zeventig mocht men direct na het basisartsexamen beginnen als huisarts. Bartholomeus: “Over de meest ingewikkelde en exotische ziektebeelden wist ik een heleboel, maar wat te doen bij een patiënt die bij de huisarts komt met "ik voel me zo moe", "ik ben zo nu en dan duizelig", daar was je niet op voorbereid. Gelukkig startte toen net in Amsterdam een proefopleiding huisartsgeneeskunde,waarbij ik 4 dagen in de praktijk (in Zaandam) kon werken en 1 dag scholing kreeg in het toen pas opgerichte huisartsen-instituut. Ik ontdekte dat mijn allergie voor onderwijs, die thuis door overdosering was ontstaan en die fors verergerd was tijdens mijn studietijd, wegebde en omgezet werd in enthousiasme toen ik tijdens dat half jaar actief mee vorm kon geven aan mijn eigen opleiding. Onderwijs maken is leuk! Toen ik las wat men in Maastricht wilde doen, dacht ik, daar wil ik bij zijn.”

Bartholomeus startte (januari 1975) bij de capaciteitsgroep gezondheidszorgonderzoek, een nieuw vakgebied dat zich met "de kwaliteit van de gezondheidszorg en hoe die te verbeteren" zou gaan bezighouden. Pie's aandachtsgebied werd de huisartsgeneeskunde, de eerste lijn. Met zijn toenmalige baas, Evert Reerink, “een onderwijsdier pur sang”, werkte hij, nog vóór zijn officiële aanstelling, aan een nationaal nascholingsprogramma voor huisartsen over Hart en Vaatziekten. Huisartsen moest onder andere geleerd worden bloeddruk te meten (de verschillen in meettechniek en dus in resultaten bleken fenomenaal groot te zijn). Daarvoor ontwikkelden ze een "standaard" waarin stap voor stap beschreven werd hoe bloeddruk idealiter gemeten moest worden. Deze standaard kon meteen ook gebruikt worden in het blok "vaardigheden" (januari '75) waar de studenten van het eerste jaar net mee bezig waren. In dat blok kregen ze trainingen in onder andere EHBO, basale medische- en laboratoriumvaardigheden, deels extern en door externe deskundigen begeleid. Ondanks de vele problemen wilden studenten en docenten ermee doorgaan.

Reerink die erg goed op de hoogte was van allerlei onderwijsvernieuwingen, met name in de VS en Canada, schreef een nota Project vaardigheidsonderwijs (februari 1975), waarin hij een pleidooi hield voor het opzetten van een Skillslab, waar studenten gedurende de hele studie allerlei vaardigheden konden trainen. Inspiratie was o.a. opgedaan bij een "skillslaboratory"(vandaar de naam) van een verpleegkundeopleiding in East Lansing. Op verschillende plaatsen werd al geëxperimenteerd met diverse vormen van simulatie, maar dat bleef meestal beperkt tot een activiteit binnen een bepaald specialisme. De nota van Reerink, waarvan Bartholomeus de wordingsgeschiedenis van zeer nabij meemaakte, werd met enthousiasme ontvangen en al snel (april 1975!) werd besloten om een projectgroep op te richten en ruimte te reserveren in de oude ziekenboeg van het Jezuïtenklooster. Het was aan de huisarts Lodewick, coördinator van het blok Vaardigheden, om het Skillslab van de grond tillen. 

Bartholomeus: “Lodewick liet jammergenoeg al eind 1975 weten dat zijn werk als huisarts moeilijk te combineren was met het coördineren van het Skillslab. Omdat de werving van een nieuwe coördinator moeizaam verliep en ik steeds meer lol kreeg in m'n bijdrage aan het Skillslab, heb ik me laten verleiden om die klus op me te nemen. Een klus die me veel plezier en bijzondere ervaringen heeft gebracht, maar ook een hele belasting is geweest. Mijn oorspronkelijke bedoeling was dit 4 jaar te doen, maar het zijn er 15 geworden. Langzaam maar zeker, en met veel vallen en opstaan is er een programma tot stand gekomen waarbij de student stap voor stap, van eenvoudig naar meer complex, van nagebootst tot zo realistisch mogelijk, vaardigheden kan oefenen: eerst op modellen en poppen, vervolgens op en met elkaar, daarna op simulatiepatiënten en tot slot op (daarvoor uitgenodigde) echte patiënten. Het simulatiepatiëntenprogramma, gestart als proef met collega's en familieleden, waarbij studenten in elk blok de kans krijgen hun kennis en vaardigheden toe te passen in een zo realistisch mogelijke situatie, werd uiteindelijk een groot succes. Meer dan 100 mensen uit alle hoeken van de samenleving werk(t)en daar regelmatig aan mee.”

Langzaam maar zeker lukte het om het programma grotendeels te integreren in de rest van het curriculum. Met als summum het zogenaamd ‘adoptiemodel’, waarbij studenten in het tweede tot en met het vierde jaar tijdens ieder blok bij een huisarts die hen ‘geadopteerd’ had patiënten kon ontmoeten die bij de thematiek van het blok pasten. Ze konden dan ook de vaardigheden die ze eerder getraind hadden toepassen. Het adoptiemodel bleek echter door de (te) grote groei van het aantal studenten niet overeind te houden.

Het stap voor stap beschrijven van vaardigheden en deze waar nodig illustreren met tekeningen en foto’s, bleek een geweldig hulpmiddel bij het oefenen en toetsen van vaardigheden. Deze “standaarden”, een tot dan toe onbekend fenomeen in het medisch onderwijs, vonden tot grote verbazing van alle betrokkenen al snel hun weg naar studenten van de andere medische faculteiten. Lodewick integreerde deze standaarden tot Het lichamelijk onderzoek, Een atlas voor de algemene praktijk. Deze publicatie werd een groot succes: binnen de korte tijd kwamen er zes vertalingen op de markt! Later werd dit boek verder uitgewerkt tot de serie boeken Lege Artis en nog later tot Vaardigheden in de geneeskunde ofwel Simulation in Medicine met daaraan gekoppeld Cd-roms en een online versie; deze leermiddelen werden ook ver buiten Maastricht gebruikt.

Het skillslab verhuisde al snel van de ziekenboog naar de bibliotheekvleugel van het Jezuïetenklooster en in 1983 naar het ‘noodgebouw’ (dat er nog altijd staat) in Randwyck om in 1991 te verhuizen naar het onderwijsgebouw bij het nieuwe ziekenhuis op Randwyck. Bartholomeus: “Alhoewel er nog altijd weerstand was tegen de Maastrichtse aanpak bij de meeste medische faculteiten in Nederland, groeide de belangstelling voor de skillslab-methode, met name in het hoger gezondheidszorgonderwijs in Nederland, en ook in bij veel buitenlandse faculteiten. Zo werd samen met de Hogeschool Zuid en de Hogeschool Arnhem en Nijmegen het zgn. project Transferpunt Vaardigheidsonderwijs gestart, een project dat onder andere de leermiddelen voor het vaardigheidsonderwijs in bijna alle hogere beroepsopleidingen verpleegkunde produceerde.

Na 15 jaar werd het tijd om iemand anders de coördinatie in handen te geven. Tijdens een sabbatical werd het Bartholomeus duidelijk dat artsen in ontwikkelingslanden door gebrek aan diagnostische apparatuur nog veel meer afhankelijk zijn van goede vaardigheden. Samen met het Bureau Internationalisering ( MUNDO en later SHE cooperates) is het gelukt om allerlei projecten te starten: onder andere in El Savador, Kenia, Oeganda, in de Verenigde Arabische Emiraten (Al Ain) en in Vietnam.

In Indonesië werd aanvankelijk gestart met 1 universiteit in Yogyakarta, maar inmiddels zijn alle 71 medische faculteiten erbij betrokken. Maar ook via de vele bezoekers en met name ook via de visitorsworkshop heeft de skillslabmethodiek zich snel verspreid. Bartholomeus: “De UM is elders misschien nog wel meer bekend door z'n skillslab dan door het PGO.”

 


 

 

© 2020 Kunst- en erfgoedcommissie, Universiteit Maastricht