Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Limburg in 1969
ERFGOED
Een universiteit in Limburg?
Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Limburg in 1969

De rol van de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Limburg bij het binnenhalen van de Rijksuniversiteit Limburg, nu Maastricht University, in 1969

Door Annemieke Klijn

Een universiteit in Limburg?

Aan de oprichting van de Rijksuniversiteit Limburg, nu Maastricht University, in 1976 ging een lange geschiedenis vooraf. Limburg deed al vanaf het begin van de twintigste eeuw meerdere pogingen om een universiteit te verwerven, of in ieder geval een instelling voor hoger onderwijs. Een ‘eigen’ universiteit stond symbool voor de emancipatie van het ‘achtergestelde’ en ‘onderontwikkelde’ Limburg.  Een universiteit kon, zo was de verwachting, niet alleen de culturele en intellectuele uitstraling van deze regio verhogen, maar ook een economische stimulans betekenen. Al in de jaren 1920 waren Tilburg, Den Bosch, Nijmegen én Maastricht in een felle strijd verwikkeld om een katholieke universiteit in de wacht te slepen. De katholieke universiteit ging echter in 1923 naar het meer centraal gelegen Nijmegen.

Na de Tweede Wereldoorlog kwam de discussie over een universiteit in Limburg op gang. Het aantal studenten nam toen razendsnel toe. Uitbreiding van het universitaire aanbod was hoognodig. De in november 1957 door Gedeputeerde Staten opgerichte Studiecommissie Hoger Onderwijs, waarin uitsluitend sympathisanten van de Katholieke Volkspartij (KVP) zaten, pleitte in 1959 voor een atheneum illustre. Dit was een vorm van hoger onderwijs, waar studenten tot aan hun kandidaatsexamen konden studeren. Gedacht werd aan de faculteiten rechtsgeleerdheid, letteren, wijsbegeerte, psychologie en op termijn wellicht scheikunde en wis- en natuurkunde. Met het oog op de confessionele structuur van de provincie Limburg ging de voorkeur als vanzelfsprekend uit naar een katholieke instelling, die als dochterinstelling zou kunnen fungeren voor de Katholieke Universiteit Nijmegen. Maastricht werd als vestigingsplaats genoemd, omdat deze stad al van oudsher het belangrijke culturele centrum was in Limburg. Gezien de ligging van Maastricht leek het deze commissie van belang om de nieuwe instelling een meertalig, Europees karakter te geven. Maastricht was altijd al ‘een ontmoetingspunt bij uitstek tussen de Romaanse en Germaanse cultuur’.

Den Haag reageerde afwijzend. De Commissie Spreiding Hoger Onderwijs zag niets in een soort van dependance van de Katholieke Universiteit Nijmegen in Maastricht. Ook het boekje Universitas Limburgensis, gepubliceerd in 1962, waarin de econoom Marinus Coopmans zich richtte op KVP-minister van Onderwijs en Wetenschappen Jo Cals haalde niets uit. Coopmans’ pleidooi voor de vestiging van een Europese universiteit, die, vooruitlopend op ‘een verenigd Europa’, zou inspelen op internationale politieke, technische en economische vraagstukken, werd genegeerd. In Den Haag viel het besluit om diverse nieuwe opleidingen aan de bestaande instellingen te gunnen.

De Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Limburg

Het was pas nadat Limburg het streven naar een universiteit van katholieke signatuur had opgegeven, dat zich nieuwe kansen aandienden. De in 1964 benoemde commissaris van de Koningin Charles van Rooy, een KVP ’er die een tijdje minister van Sociale Zaken was geweest, besefte dat Limburg gegeven de ingezette ontzuiling zich niet moest blijven vastklampen aan het idee van een katholieke instelling. Gegeven ook de snelle bevolkingsgroei in Limburg in combinatie met het toenemend aantal studenten meende hij dat deze provincie zich opnieuw hard moest maken voor een universiteit. Zo kwam op initiatief van Van Rooy op 8 november 1965 de Stichting Wetenschappelijk Onderwijs Limburg (SWOL) tot stand. Doel was om een universiteit in Limburg van de grond te krijgen door het organiseren van een stevige politieke lobby richting Den Haag én het mobiliseren van de ‘Limburgse gemeenschap’ die in actie moest komen voor een universiteit. Samenwerking en overleg met personen en instellingen in het buitenland om dat doel te bereiken, zag de SWOL eveneens als taak voor zich weg gelegd. Het pleidooi van Coopmans werd dus opgepakt.

Op 28 december 1965 kwam de SWOL voor het eerst bijeen in de Statenzaal van het Provinciehuis. Het algemeen bestuur bestond uit 60 leden: 59 mannen en slechts enkele vrouwen, onder wie ‘mejuffrouw’ Truus Kok, maatschappelijk werkster bij de Staatsmijnen en tevens Tweede Kamerlid voor de KVP. De bestuursleden kwamen uit de hele provincie: veelal hoogleraren, burgemeesters, Tweede Kamerleden en vertegenwoordigers van het bedrijfsleven, zoals bijvoorbeeld Henri Gelissen, directeur van de Provinciale Limburgse Electriciteits Maatschappij. Van Rooy had naar een breed draagvlak gezocht en openingen richting Den Haag. Zo kwam niet alleen het Tweede Kamerlid, de KVP’er, A.M.I.H. Fons Baeten de SWOL versterken, maar ook het politieke zwaargewicht Sjeng Tans, een belangrijke figuur in de Partij van de Arbeid (PvdA). De Maastrichtenaar en katholieke doorbraak-socialist Tans zag het als een vorm van eerherstel, dat Van Rooy hem had gevraagd om in de SWOL te zitten. Hij was een van de weinige, zo niet de enige niet-KVP’er in het gezelschap. Tans was in 1957 nog geweerd uit de Studiecommissie Hoger Onderwijs’, omdat hij als actief PvdA-politicus onacceptabel was voor het Limburgse katholieke establishment. De strijdvaardige Tans had het in 1963 geschopt tot voorzitter van de PvdA en bekend onderwijsspecialist in de Tweede Kamer.

De SWOL was een soort Limburgs ‘eenheidsfront’, maar, zo beklemtoonde voorzitter Van Rooy tijdens de installatie van de SWOL, een Limburgse universiteit moest er natuurlijk ook voor niet-Limburgers zijn. De minister van Economische Zaken Joop Den Uyl van de PvdA vlak daarvoor, namelijk op 17 december 1965, in de Heerlense schouwburg de sluiting van de mijnen had aangekondigd, maakte een economische herstructurering in Limburg noodzakelijk - zo verklaarde Van Rooy, die op de eerste bijeenkomst van de SWOL aangaf dat de nieuw te stichten universiteit een cruciale rol in die economische herstructurering zou spelen. Hij dacht aan universitaire opleidingen in economie, rechten, sociologie en psychologie.

Wat Van Rooy eind 1965 niet kon bevroeden, was dat er in de zomer van 1966 op het departement van Onderwijs en Wetenschappen gesproken werd over een eventuele achtste medische faculteit. De zevende medische faculteit was in het voorjaar van 1965 aan Rotterdam toegewezen. Het aantal geneeskundestudenten én de behoefte aan artsen bleven echter zo toenemen, dat een achtste medische faculteit ter discussie kwam. Om zich over dit vraagstuk te buigen, werd eind december 1966 de Studiecommissie Achtste Medische Faculteit in het leven geroepen onder voorzitterschap van Gerard van Walsum, een prominent lid van de PvdA.

Een achtste medische faculteit?

Op de SWOL-vergadering van 12 januari 1967 nam Tans zo snel mogelijk het woord om de aanwezigen te melden dat die achtste faculteit er vast en zeker zou komen. De SWOL moest zich dus vanaf nu op het binnenhalen van die achtste medische faculteit richten. Tans betoogde dat de SWOL vooral de cultuurpolitieke argumenten pro Maastricht moest beklemtonen, want die waren uniek voor Maastricht. Hoe belangrijk de sociaaleconomische argumenten voor Limburg ook waren, de andere kandidaten brachten eveneens sterke sociaaleconomische argumenten in stelling. De concurrenten waren: de Katholieke Hogeschool Tilburg, de Technische Hogeschool Eindhoven, de Technische Hogeschool Twente, de stedendriehoek Apeldoorn-Deventer-Zutphen en de combinatie Kampen-Zwolle.

De SWOL reageerde alert en kon al in januari 1967 een Nota inzake de stichting van de medische faculteit als begin van een universiteit in Limburg presenteren. Deze bracht vier argumenten - van medische, onderwijskundige, sociaaleconomische en cultuurpolitieke aard - naar voren om het pleidooi voor de vestiging van een achtste medische faculteit als begin van een nieuwe rijksuniversiteit in Maastricht te onderbouwen. Allereerst, Zuid-Limburg beschikte over een patiëntenbestand dat nog niet in het wetenschappelijk onderwijs was ingeschakeld. Verder was spreiding van onderwijs nodig omdat de Limburgse jeugd recht had op gelijke kansen in het onderwijs. De sluiting van de mijnen maakte bovendien een economische herstructurering noodzakelijk, waarbij de universiteit zich als motor van de economie kon opwerpen. Tenslotte, een universiteit in Maastricht was ‘een kwestie van nationaal zelfbehoud’: er moest een Nederlandse universiteit met een Europese oriëntatie komen op de cultuur driesprong naast de Duitse en Franstalige instellingen van wetenschappelijk onderwijs in Aken en Luik. Voortvarend had de SWOL al dankzij diverse subsidies en legaten een bouwterrein gekocht met het oog op de bouw van de universiteit.

De SWOL presenteerde in april 1967 maar liefst drie rapporten. In De omvang van een in Limburg te stichten universiteit werd betoogd dat de medische faculteit uitgebreid moest worden met opleidingen op het gebied van de maatschappijwetenschappen. Met De plaats van Zuid-Limburg in een spreidingsplan voor het Wetenschappelijk Onderwijs wilde de SWOL aantonen dat er in Zuid-Limburg ruim voldoende potentiële studenten waren. De nota Limburg: ‘Uithoek of Kernland’ was geschreven door Hendrik Brugmans, rector van het Europacollege in Brugge. Deze hield met verve een pleidooi voor Maastricht: als gevolg van de onvermijdelijk Europese integratie ging Zuid-Limburg meer en meer behoren tot een ‘nieuwe plurinationale ruimte’: Vlaams, Waals, Nederlands en Duits. Maastricht was volgens Brugmans de ideale plek voor een Europese universiteit, waar meerdere talen - en zeker niet alleen het Engels - gesproken zou worden.

De SWOL liet begin 1968 nog eens van zich horen. In Een nieuwe medische faculteit. Bijdrage tot de discussie ging Tans verontwaardigd in op enkele tegenstrevers die een medische faculteit in Maastricht geen goed plan vonden, omdat Maastricht te excentrisch gelegen zou zijn en geen technische inbedding kon bieden voor modern medisch onderwijs (zoals Eindhoven en Tilburg). De Nota opleiding internationale zaken aan de nieuw te stichten universiteit in Limburg, was ook geschreven door Tans, maar nu in samenwerking met Jos Herold, hoofd van een Psychologisch Instituut in Maastricht, en Willy Toonen, medewerker van het Economisch Technologisch Instituut Limburg (ETIL) en secretaris van de SWOL.  De auteurs constateerden dat Limburg staatkundig door de geschiedenis tot een grensland was gemaakt, maar dat het nu door de nieuwe tendensen in de geschiedenis van Europa tot ‘een land zonder grenzen, open voor de invloeden van de Franse en Duitse cultuurstromen’ was geworden. Naast de medische faculteit zou in Maastricht dan ook iets van maatschappijwetenschappen toegespitst op Europese vraagstukken; meertalig onderwijs in het Duits en Frans plus internationale uitwisseling van studenten moesten onderdeel van het programma zijn. De auteurs richtten hun blik vooral op Hasselt, waar ook academische opleidingen in de maak waren.

De SWOL beperkte zich trouwens niet tot de publicatie van rapporten. Ook de (regionale) pers werd benaderd om te pleiten voor een achtste medische faculteit in Maastricht, als aanzet van een nieuwe universiteit. Maar, probleem was dat de commissie-Van Walsum alleen maar de opdracht had om de vraag te beantwoorden of en zo ja, waar, er een achtste medische faculteit moest komen. Zij ging dus helemaal niet over de kwestie van een studie maatschappijwetenschappen, laat staan over de oprichting van een nieuwe universiteit! Tans drong er in maart 1968 niettemin bij Van Walsum op aan om ook de argumenten van de SWOL die niet op medisch gebied lagen mee te laten wegen. Hij betoogde dat Limburg ‘gerechtvaardigde verlangens’ koesterde en dat het dus geen pas had om Limburg de achtste medische faculteit te onthouden, omdat hier verder geen instelling van hoger onderwijs was.

Een verdeelde commissie-Van Walsum

In de loop van 1968 adviseerde de commissie-Van Walsum aan de minister van Onderwijs en Wetenschappen, de KVP ’er Gerard Veringa, dat er inderdaad een achtste medische faculteit moest komen. Over de plaats waar bleven de meningen echter verdeeld.  Slechts vier commissieleden waren voor Maastricht, de overige tien waren voor aansluiting bij een bestaande instelling voor wetenschappelijk onderwijs; die tien waren weer verdeeld over Twente, Tilburg en Eindhoven. Veringa kon met dit advies dus doen en laten wat hem goeddunkte. De SWOL moest dus dóór met lobbyen.

1969: Actie! Actie! De achtste medische faculteit naar Maastricht

In januari 1969 werd een Burgercomité opgericht om de Limburgse bevolking te enthousiasmeren voor een universiteit onder het motto ‘Bouw mee aan onze Limburgse Universiteit’. Zo werd een handtekeningenactie georganiseerd met kaartjes waarop een symbolische baksteen stond afgebeeld en de ruimte om een handtekening te zetten. De SWOL verspreidde deze kaartjes aan alle schoolleerlingen in Limburg. Toen Veringa op 25 maart op oriëntatiebezoek was in Maastricht kwam hij na overleg in het Provinciehuis op een ‘ludiek festijn’ terecht in de Dominicanenkerk, die bij deze gelegenheid dienstdeed als mensa voor de UiL, de Universiteit in Limburg. Hij trof daar een maquette van een gebouw aan dat de universiteit moest voorstellen. In die maquette zaten een kwart miljoen ‘bouwsteentjes’, kaartjes met 250.000 handtekeningen erop. Ter gelegenheid van Veringa’s komst had de ‘fa. Cok en Co’, een groepje Zuid-Limburgse kunstenaars, een speciaal affiche ontworpen met de UiL erop; het fraaie affiche was in popart stijl uitgevoerd. De SWOL had het trouwens niet met bij die maquette gelaten. Ze had al contacten aangeknoopt met Limburgse bouwondernemers om plannen te ontwerpen voor een universiteit.

Hoe nu verder de druk op Veringa op te schroeven? Het was in deze fase dat Tans een cruciale rol speelde. Hij wist de PvdA-fractie te overtuigen om zich begin juli voor Maastricht uit te spreken. De KVP-fractie kon vervolgens uit partijpolitieke c.q. electorale overwegingen niet achterblijven en sprak zich kort daarna ook ten faveure van Maastricht uit. In augustus 1969 maakte Veringa zijn besluit openbaar: de achtste medische faculteit ging als start van een universiteit naar Maastricht. Een geïsoleerde medische faculteit was juridisch onmogelijk. Het argument van spreiding van het wetenschappelijk onderwijs had bij hem de doorslag gegeven. In Maastricht gingen op 16 september de vlaggen uit, toen koningin Juliana in de Troonrede de oprichting van de achtste medische faculteit in het kader van een te stichten universiteit aankondigde.

Een nieuwe rol voor de SWOL…

Voor de SWOL brak een nieuwe fase aan. Zij had haar taak als lobbyorganisatie om een universiteit in Limburg binnen te halen met succes volbracht. Maar, wat werd haar raison d’ être nu? De SWOL wierp zich in eerste instantie op als gesprekspartner van de Commissie Voorbereiding Achtste Medische Faculteit. Doel werd het met raad en daad ondersteunen van de achtste medische faculteit in wording ‘in het kader van een te stichten universiteit’. Zo stond de SWOL financieel garant voor de 50 ‘cursisten’ die in 1974 met de studie geneeskunde studie begonnen. Dezen mochten zich niet officieel studenten noemen, omdat de medische faculteit als experiment begon, dus zonder wettelijk basis. Na de officiële oprichting van de Rijksuniversiteit Limburg in 1976 besloot de SWOL zich als universiteitsfonds op te stellen: zij richtte zich primair op de verdere uitbouw van de universiteit. Zo riep zij in 1978 de dr. Tans wisselleerstoel in voor ‘de methodiek van het onderwijs in de gezondheidszorg’. De SWOL, inmiddels Universiteitsfonds Limburg/SWOL geheten, bleef het oorspronkelijke uitgangspunt trouw door enerzijds de wisselwerking van de universiteit en het maatschappelijk leven in Limburg en anderzijds de internationale oriëntatie te stimuleren.

 

Afbeeldingen:

Charles Van Rooy, geschilderd door Charles Eyck - met dank aan de Provincie Limburg

Cover Nota 1 SWOL

Maastricht ‘kernland’

Affiche de UiL, 1969

Opening RL op 9-1-1976 met v.l.nr. Fons Baeten, koningin Juliana en Charles van Rooy - fotograaf Jos Nelissen

© 2021 Kunst- en erfgoedcommissie, Universiteit Maastricht